Oorlog in Irak en Afghanistan is zinloos…..
Posted on 30 september 2007 by Neo Xirtam in 911, Complot, Politiek
Het rechtstreekse gevolg van de gebeurtenissen van 911 is de inval in Afghanistan en Irak. Aan beide invallen heeft Nederland politieke en militaire steun verleend. De missie in Afghanistan staat aan de vooravond van een belangrijke beslissing: doorgaan of vertrekken?
Wie beseft dat de oorlog in Afghanistan sprekend lijkt op de Hollandse opstand uit de 17e eeuw tegen de Spaanse overheersers, kent de uitslag al. De oorlog in Afghanistan kan niet worden gewonnen, net zomin als de oorlog in Irak of een oorlog tegen Iran. In Nederland spreken we tenslotte ook geen Spaans. Het NRC, Menno Steketee, geeft een historisch overzicht van verloren guerrillas.
Goliath heeft een achilleshiel door Menno Steketee
De krijgshistorie leert dat militaire grootmachten zelden succes boeken tegen opstandelingen
Binnenkort besluit Nederland over eventuele voortzetting van de missie in Uruzgan. Maar het verslaan van de Taliban is een illusie. “Als je als supermacht niet wint, verlies je.”
Het zou “een schandvlek voor ons allemaal” zijn als de missie van de NAVO in Afghanistan mislukt, zei de Amerikaanse minister van Defensie Robert Gates deze week. Zijn boodschap: het welslagen van de missie is een kwestie van doorzetten en politieke wil.
Het Nederlandse kabinet kan de uitspraak ter harte nemen. Het moet immers beslissen over eventuele verlenging van de militaire missie in Afghanistan.
De pressie kwam, eveneens deze week, ook van een andere kant. “Ik kan me niet voorstellen dat Nederland in z’n eentje uit Afghanistan zou vertrekken”, zei NAVO-secretaris-generaal Jaap de Hoop Scheffer. “Er kan niemand weg.” Duidelijke taal. Nederland moet blijven.
Maar is het wel een kwestie van willen en doorzetten? Kan de NAVO de strijd tegen de opstandelingen ooit winnen?
Slecht bewapende opstandelingen winnen meestal van militaire krachtpatsers, dat leert de eigentijdse krijgshistorie.
In Irak zal het waarschijnlijk niet anders gaan. De Isralische krijgshistoricus Martin van Creveld is ronduit somber over de kansen van de Amerikaanse troepen in Irak. De in Rotterdam geboren wetenschapper geniet grote internationale bekendheid sinds in 1991 zijn standaardwerk “The Transformation of War” verscheen. Hij is expert op het terrein van de “nieuwe bedreigingen” waarmee westerse strijdmachten worden geconfronteerd.
Met verbazing las Van Creveld het pas verschenen “Counterinsurgency Handbook”, het handboek voor het bestrijden van opstandelingen, van de Amerikaanse generaal David Petraeus. De generaal is de bevelhebber van de 168.000 Amerikaanse militairen in Irak. “Dit handboek geeft geen antwoord op de vraag hoe moderne strijdkrachten moeten omgaan met opstandelingen en guerrillabewegingen”, zegt Van Creveld. “Arme, arme Petraeus. Hij maakt in Irak geen schijn van kans.”
Militaire grootmachten hebben het sinds de laatste Wereldoorlog steeds vaker moeten afleggen tegen licht bewapende guerrillabewegingen.
Frankrijk moest in 1954 in Indochina de aftocht blazen. Bij Dien Bien Phu verloren de Franse elitetroepen van de strijdmacht van de Vietminh. De kort daarop volgende oorlog in Algerije eindigde ook al in een Franse nederlaag.
Het Amerikaanse leger werd in 1975 door de Vietcong uit Vietnam verdreven.
Op even smadelijke wijze verliet de Sovjet-Unie in 1989 na tien jaar oorlog Afghanistan.
Zoals de Amerikaanse voormalige minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger zei over guerrillaoorlogen in het algemeen: “Als je als supermacht niet wint, dan verlies je. En wanneer je als guerrillabeweging niet verliest, dan win je”. “We hebben nog geen goed antwoord op de strijdmethoden van opstandelingen”, zegt generaal-majoor der Mariniers buiten dienst Frank van Kappen.
Hij was van 1995 tot 1998 militair adviseur van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Boutros Boutros Ghali.
Tegenwoordig is hij verbonden aan The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS). Waar komt dat onvermogen van die grootmachten toch vandaan?
Westerse krijgsmachten buigen zich al decennia over deze vraag. De bibliotheken van de militaire academies puilen uit met studies over low-intensity conflict, counter-insurgency- operations, vredesoperaties, asymmetrische oorlogvoering en operations-other-than-war.
Tegenwoordig vallen militaire operaties tegen opstandelingen, en van opstandelingen, onder de noemer fourth generation warfare, (4GW), vierde generatie oorlogvoering. De term verscheen voor het eerst in 1989 het blad van het Amerikaanse Korps Mariniers, de Marine Corps Gazette. Tegenwoordig is het een toverwoord in militaire kring.
De eerste generatie oorlogvoering had te maken met mankracht. Hoe meer mannetjes je in het veld kon brengen, des te groter was de kans dat je won. De campagnes van Napoleon gelden als schoolvoorbeeld van deze generatie.
De tweede generatie ging over industrile vuurkracht. Wie de meeste granaten over de grootst mogelijke afstand naar de vijand kon slingeren, gedurende een lange periode, won de oorlog.
Die generatie oorlogvoering culmineerde in de Eerste Wereldoorlog.
De derde generatie draaide om snelle manoeuvres met mobiele eenheden: Blitzkrieg. Die manier van oorlog voeren is natuurlijk een Duitse uitvinding.
Maar de snelle Amerikaanse opmars naar de Iraakse hoofdstad Bagdad in 2003 was volgens veel militaire analisten een schoolvoorbeeld en een absoluut hoogtepunt.
De vierde generatie oorlogvoering is een strijdmethode van opstandelingen die weten dat ze militair inferieur zijn en daarom via allerhande omwegen de politieke wil om te vechten van de supermacht proberen te breken.
“Vierde generatie” suggereert dat hier sprake is van een volstrekt nieuwe vorm van oorlog voeren. De aanslagen van 11 september 2001 werden in de Amerikaanse militaire vakpers zelfs het startschot genoemd van de “vierde generatie”.
Maar dit type oorlog is minstens zo oud als de opstand van de Spanjaarden tegen de troepen van Napoleon aan het begin van de negentiende eeuw. Aan die strijd danken we het begrip guerrilla, “oorlogje”. De uniformloze opstandeling laat zich nooit op het slagveld zien, omdat hij daar roemloos ten onder zou gaan.
Volgens de Amerikaanse marinierskolonel buiten dienst Thomas Hammes, een van de uitvinders van het begrip 4GW en auteur van The Sling and the Stone zijn de opstandelingen steeds vernuftiger geworden. “Opstandelingen overal ter wereld zijn zich er terdege van bewust dat dit het enige type oorlog is dat de VS ooit hebben verloren”.
Hammes noemt naast “Vietnam”, ook “Somali”, waar Amerikaanse militairen in 1993 in een hinderlaag liepen en hun lijken voor het oog van de televisiecamera’s naakt achter pick-ups door de straten van Mogadishu werden gesleept.
Het verband met Irak is snel gelegd.
Staand op een vliegdekschip kondigde president Bush in mei 2003 het einde aan van de oorlog tegen het Irak van Saddam Hoessein. Er waren toen nog geen tweehonderd Amerikaanse militairen gesneuveld. Bij die grote operaties ging het om oorlogvoering van de derde generatie, meent Hammes. De strijd tegen de opstandelingen daarna kostte intussen al bijna vierduizend Amerikaanse soldaten het leven. Dat illustreert akelig, schrijft Hammes, hoe onmachtig het Pentagon staat tegenover deze manier van oorlog voeren.
Van Kappen onderschrijft Hammes observaties. “In de jaren negentig hadden we de “Revolution in Military Affairs (RMA)”. Westerse militaire technologien ontwikkelden zich razendsnel. De revolutie beloofde een toekomst waarin westerse strijdkrachten een volledig en nauwkeurig overzicht zouden hebben van het gevechtsveld en de tegenstander van grote afstand met precisiewapens zouden kunnen uitschakelen, gebruik makend van superieure technologie. Inzet van grondtroepen zou op die manier kunnen worden vermeden. De werkelijkheid van nu wijkt nogal van die toekomstvisie af”.
De tegenstanders van westerse strijdmachten, zoals in Irak en in Afghanistan, hebben geleerd om die westerse technologische superioriteit te ontwijken.
Van Kappen: “Ze vechten in kleine groepjes en maken gebruik van zelfmoordaanslagen en bermbommen. Ze verschuilen zich in moeilijk begaanbaar terrein, niet alleen in het oerwoud of bergen, maar ook in de sociaal-culturele jungle la Sadr City in Bagdad. Bovendien opereren ze in netwerken die van elkaar leren, zonder veel centrale sturing. Vergelijk het met Wikipedia. Of met een virus. Van grote afstand kunnen we ze niet raken. We moeten dat nabijheidsgevecht dus wl aan. Daarom zijn we niet meer superieur”.
De achilleshiel van de militair veel sterkere partij zijn de politieke besluitvormers, schrijft Hammes. Militaire tegenstanders proberen de westerse politieke wil te breken om de strijd voort te zetten. Op politiek niveau bedienen ze zich van transnationale, nationale en subnationale organisaties en netwerken.
Op operationeel niveau gebruiken ze verschillende boodschappen voor divers gehoor. En op tactisch niveau benutten ze materieel dat in de burgersamenleving voorhanden is.
In gewone mensentaal betekent dit in Afghanistan dat de Taliban proberen de steun in het Westen voor de militaire operaties te laten afbrokkelen. Internationale organisaties zoals de Verenigde Naties en Artsen zonder Grenzen, zijn een legitiem doelwit. Afwezigheid van hulpverleners draagt bij tot de chaos.
Neutrale stammen en bevolkingsgroepen worden gepaaid of juist afgeschrikt.
De boodschap is op maat gemaakt. De eigen achterban krijgt te horen dat Afghanistan ten prooi dreigt te vallen aan ongelovige honden. De neutrale bevolking wordt verteld dat de NAVO wel weer opkrast, maar dat de Taliban er altijd zullen zijn. En de NAVO-militairen wordt duidelijk gemaakt dat de strijd lang, wreed en kostbaar zal zijn. “Vierde generatie oorlogvoering is meestal gekoppeld aan een rabiate ideologien, zegt Van Kappen. En bij die ideologie gaat het altijd om het verwerpen van westerse waarden, of het nu gaat om het nationalisme van de Servir op de Balkan in de jaren negentig of om islamitische fundamentalisten in Irak of Afghanistan nu. Sterker, die waarden moeten vernietigd. “Catastrofaal terrorisme”, noemt van Kappen dat.
Een ander kenmerk van oorlogvoering van de vierde generatie is de relatieve onafhankelijkheid van een groot logistiek apparaat en van groot materieel.
De Talibaan zijn zeer creatief met springstoffen waarvan ze dodelijke bermbommen maken, net als hun collega- opstandelingen in Irak. Afghanistan en Irak liggen bezaaid met oude granaten en mijnenvelden, dus springstof genoeg om te gebruiken. Bermbommen en andere gemproviseerde explosieven zijn in Irak verantwoordelijk voor meer dan een derde van de bijna vierduizend gesneuvelde Amerikanen. Al-Qaeda maakte optimaal gebruik van in de maatschappij voorhanden materiaal door verkeersvliegtuigen als wapen in te zetten.
De media spelen bij oorlogvoering van de vierde generatie altijd een grote rol. Televisiestations zorgen ervoor dat grote aanslagen tot in ieder bloedig detail live worden uitgezonden. Via You-Tube, MySpace en speciale websites als Liveleak vinden ongecensureerde videofilmpjes van de dagelijkse aanvallen hun weg naar de VS en Europa. Dreigtelefoontjes aan familieleden van uitgezonden troepen horen ook tot het repertoire.
Wat kunnen supermachten doen om te winnen? Successen van grootmachten tegen opstandelingen zijn dun gezaaid. In de jaren vijftig slaagde de Britse koloniale bezettingsmacht erin om een opstand van communistische opstandelingen in Malakka te smoren. Dat kwam deels doordat de meeste opstandelingen een Chinese etnische achtergrond hadden, waardoor ze de steun moesten ontberen van de meerderheid van de Maleisische bevolking .
Volgens Van Creveld is de factor tijd bij het beslechten van guerrillaoorlogen cruciaal. In zijn laatste boek, The Evolution of War betoogt hij dat er maar twee methodes zijn om die factor aan je zijde te krijgen. En: je betracht eindeloos geduld, zoals de Britten in Noord-Ierland, die nooit hun toevlucht namen tot bombardementen, zoals de VS in Vietnam, of tot collectieve strafmaatregelen zoals Isral in Libanon. De Noord-Ierse bevolking verloor uiteindelijk het geduld met de bommenleggers.
De tweede methode: je overlaadt een opstandige bevolkingsgroep met zoveel wreed geweld, dat deze zwicht. Dat was de methode die Rifaat Assad, de broer van de toenmalige Syrische president Hafez Assad, in 1982 hanteerde tegen de Moslimbroederschap in de stad Hama.
Andere mogelijkheden zijn er niet.
Dat is nu precies het probleem met de Amerikaanse aanpak in Irak, meent Van Creveld. Het counter-insurgency- handboek dat de Amerikaanse generaal Petraeus heeft geschreven, “probeert op twee vragen antwoord te geven”, vertelt Van Creveld. “En: hoe kunnen we zoveel mogelijk Iraakse opstandelingen doden? En twee: hoe kunnen we de Iraakse burgers blij maken?” Het eigenlijke probleem, zegt Van Creveld, is dit: hoe verhinder je dat de factor tijd tegen je werkt? Zoals gebeurde toen het Amerikaanse thuisfront zich keerde tegen Vietnam.
De Amerikanen hinken volgens Van Creveld sinds de inval in 2003 op twee gedachten. Soms proberen ze het op de gewelddadige manier, zoals bij het offensief tegen Fallujah in november 2004. En dan gooien ze het weer over de “geduldige”-boeg zoals nu na de uitbreiding van de Amerikaanse troepenmacht in Centraal-Irak. Bij de harde aanpak vallen burgerslachtoffers wat veel kwaad bloed zet en de rekrutering van opstandelingen in de hand werkt. “Zo bereik je niets. In het handboek van Petraeus komt de factor tijd niet eens voor”.
Dat is ook de reden dat Van Creveld somber is over de Nederlandse missie in de Afghaanse provincie Uruzgan: “Het is lastig voor te stellen hoe de Noord- Ierse methode daar is toe te passen”. De NAVO zou er tientallen jaren op de handen moeten zitten en aanslagen negeren. “En de harde methode is ondenkbaar”. Democratien staan hun uitgezonden militairen niet zoveel wreedheid toe.
Afghanistan is een onmogelijk land, zegt hij. Het is zoals Niccoli Macchiavelli al in Il principe begin zestiende eeuw zei: “een centraal geleide staat is moeilijk te veroveren, maar eenvoudig te bezetten. Een gedecentraliseerde staat, met veel lokale leiders, is makkelijker binnen te vallen maar veel lastiger te bezetten, doordat de macht altijd al verdeeld is geweest”.
Bijkomend nadeel, zegt Van Kappen, is dat “als je in Afghanistan een militaire operatie uitvoert het antwoord van de tegenstander kan komen in Londen, Madrid of in Amsterdam. Het onderscheid tussen externe en interne veiligheid is vervaagd. We moeten dan ook komen tot een meer gentegreerde, holistische aanpak van veiligheid”.
Dat westerse krijgsmachten maar op twee manieren de oorlogen van de vierde generatie kunnen winnen, zoals Van Creveld zegt, vindt Van Kappen te beperkt. “Er zijn ongetwijfeld meer mogelijkheden”. Welke dat zijn, blijft ongewis, zegt Van Kappen. Door ervaring op te doen in landen als Afghanistan kun je dat leren. “Deels komt het neer op gewoon infanteriewerk. Daarbij moeten we ook vuile handen durven te maken. Toch zie ik geen snelle, pasklare oplossing voor deze problematiek”.
Van Kappen heeft n troost: “democratien zijn schokbestendiger dan men denkt. Het soort ideologien waar we tegenover staan, heeft meestal maar een levensduur van ongeveer zestig zeventig jaar. Dus dat overleven we. Maar het gaat wel pijn doen”.
“Opstandelingen zijn zich er terdege van bewust dat dit het enige type oorlog is dat de VS ooit hebben verloren”
“Ze verschuilen zich niet alleen in het oerwoud of bergen, maar ook in de sociaal culturele jungle la Sadr City in Bagdad.
Het echec Vietnam
Hoe supermachten spectaculair het onderspit kunnen delven, laat het echec van de Verenigde Staten in Vietnam goed zien. De Amerikaanse strijdkrachten en het thuisfront werden door de Vietcong onderworpen aan wat veel weg heeft van de Chinese martelmethode van “de duizend sneetjes”. De wondjes stellen afzonderlijk weinig voor, maar door hun aantal zijn ze voor het slachtoffer toch dodelijk.
De vrijwel onzichtbare vijand bracht de Amerikaanse soldaten in Vietnam dagelijks kleine verliezen toe. Amerikaanse televisiestations schotelden die het thuisfront iedere dag voor bij het ontbijt. De vijand verschool zich tussen de bevolking en maakte daar ook deel van uit. In de buurlanden Noord-Vietnam en Cambodja kregen de guerrillastrijders een opleiding en een nieuwe uitrusting. Daar konden ze ook hergroeperen.
Steeds als de Vietcong of het Noord- Vietnamese leger zich op een regulier slagveld probeerde te meten met de Amerikaanse strijdkrachten, triomfeerden de Amerikanen.
Het Tet-offensief in 1968, de open opstand in Zuid-Vietnamese steden, decimeerde de Vietcong. En toen Noord-Vietnamese tankcolonnes tijdens het Paasoffensief in 1972 de gedemilitariseerde zone tussen Noord- en Zuid-Vietnam overstaken, kostte ze dat naar schatting honderdduizend doden en gewonden.
Vanaf het moment dat bijna vierduizend Amerikaanse mariniers in 1965 in Da Nang voet aan wal zetten, probeerden de Amerikanen op alle mogelijke manieren de tegenstander dood te maken of uit te putten. Het winnen van de “hearts and minds” door economische hulpprogramma’s, het isoleren van de boerenbevolking van de Vietcong door het inrichten van gefortificeerde dorpen, ontbladering van het oerwoud zodat de bevoorradingsroutes vanuit de buurlanden kwamen bloot te liggen en door het elimineren van verdachte kopstukken van de Vietcong.
Om de buurlanden te straffen voor hun militaire steun aan de Vietcong gooiden Amerikaanse B-52 bommenwerpers Noord-Vietnamese steden plat. Ook legden Amerikanen mijnen in de havenstad Haiphong waar sovjet schepen wapens losten. En ze vielen Cambodja binnen.
Niets hielp. Het Amerikaanse thuisfront kreeg slappe knien. De Amerikaanse aftocht werd onvermijdelijk.
Dat de machtsverhouding op basis van aantallen manschappen, tanks en gevechtsvliegtuigen volledig in het nadeel van de Vietcong uitviel, deed dus niet ter zake. Een Amerikaanse hoge officier bracht onlangs een bezoek aan zijn vroegere tegenstanders in Vietnam. “Wij hebben alle gevechten tegen jullie gewonnen”, zei de Amerikaan trots. “Daar is niets op af te dingen”, zei de Vietnamees. “Maar voor de afloop van de oorlog was dat volstrekt irrelevant”.
bron: 911onderzoek.nl



Artikelen (RSS)